Goeiedag, wat mag het zijn?
Voor mij een kilo kippendij.
Gesneden?
Ja, dat is wel zo fijn.
In mijn ooghoek komt hij binnen,
mijn adem stokt voor een moment.
Hij heeft dus nu een baard, staat niet slecht
als je eerlijk bent.
Anders nog iets?
Doe maar een kleine leverworst.
Dat wordt dan twintig vijfentachtig,
pinnen, dank je, en een fijne dag nog.
Zal hij mij begroeten?
Hij heeft me heus herkend.
Ik ga gewoon gedag zeggen,
wat een gezanik om zo’n vent.
Ik recht mijn rug en draai me om,
ik zeg ‘Hoi’ en ik lach.
”Papa, wie is dat?”
Oh,
dat is niemand schat.